Lazy sundays.

Ik heb een zondag gehad als dertien in een dozijn en tegelijkertijd even uniek. Erik zit een ganse dag met makkers onder water. Hij duikt in een steengroeve in de Ardennen en kust mij ‘s morgens ‘tot ’s avonds’. Ik sta seconden later op. Ik wil de dag niet verloren laten gaan. De blauwe lucht smacht mij tegemoet. Ik zet Marie uit bed, met zachte aandrang. Julie is niet thuis. Zij ontsnapt aan mijn ‘ik voel de lente tintelen en moet absoluut van elk moment genieten – verlangen’.

Ik ben ondertussen aangekleed en gewassen. Een kattenwasje. Mijn haar in een simpele staart (waarbij minstens de helft links en recht uitpiekt, omdat het te kort is om netjes door de klem bedwongen te worden), een knielang ruiten hemd van Paul Smith over mijn lijf, lekker los, en korte botinnen die vuil mogen worden in stal en velden, want zo plan ik mijn dag te starten. Eerst richting Geel. Spartacus, ons paard, mag vandaag uit zijn verband. 👍🏻🐎 (Paardenliefhebbers : ik heb een heus echte fb-pagina @spartacusonspaard.) Vervolgens drop ik Marie in Schilde voor de wedstrijd op stal Brabo. Zij supportert voor onze geweldige dames en paarden!

Ik haast mij terug naar Turnhout voor rasecht mama-werk : boodschappen in de Delhaize. Ik doe een spurt door de rekken net voor sluitingstijd. Op de één of andere manier slaag ik erin mijn gsm te koppelen aan de box van de meisjes en loeihard muziek te spelen en zingen, dansen en koken te combineren. Ik ben alleen thuis! Groentesoep met kerrie en kip en kalfsfricassee staan op het programma. Zalig om tijdens de week tevoorschijn te toveren, om later van te genieten zonder uren in de keuken te moeten staan. Terwijl de fricassee nog staat te pruttelen trek ik opnieuw ‘veldbotinnen’ aan en breng een wortelbezoek aan Chili, ons paard dat op een wei vijfhonderd meter van ons huis van zijn pensioen staat te genieten. Zijn weidemakkers schrokken mee van mijn gulheid.

Ping. ‘Kom je mij halen?’ Julie. Ping. ‘Kom je mij halen?’ Marie. Het leven van een mama. Ik laat het paard voor wat het is. De wortels zijn op, dus zijn interesse is vliedend. Ik fiets naar huis, kruip in de auto. Pik dame één en dame twee op. 15.30u, weer thuis en ik besluit dat ik absoluut een terras verdiend heb. Ik stuur een paar berichten de wereld in ‘Wie zit waar op een terras?’ en beslis dat ik de eerste ‘antwoorder’ met mijn gezelschap zal verblijden. Ons Ann is snel! Ik was hun ganse gezelschap trouwens al wandelend op mijn taxiparcours tegengekomen. Ik vermoedde dus wel dat zij ergens zalig een terras zouden bevolken.

Dankjewel nichtje voor een welkome ontvangst, voor een heerlijke tuinterrasbabbel, voor een super gezellige familie, voor een zalig glas rosé, hoort erbij op een dag als deze. 🍷😍 Ik ben netjes op tijd thuis en tover eten op tafel. Voor de helft van een gezelschap, want Julie is nog op stap, moet absoluut met dit soort weer, en Erik is nog niet thuis van zijn duikescapade. Marie en ik beëindigen de zondagmiddag met ons twee. Ik land in de zetel en schrijf.

Parijs – deel 2.

Maandag 11 februari 2019. – Hebben jullie trouwens gemerkt dat ik bij mijn vorige bericht een paar glazen wijn uitheb? 🤪😂 Ik wel. Als ik dan vandaag mijn tekst opnieuw lees, merk ik dat mijn zinnen korter, eenvoudiger zijn. Terwijl ik de avond zelf echt de indruk had een verschrikkelijk complexe en intelligente tekst geschreven te hebben! In elk geval, om 04.00 brandt het licht in mijn hoofd alweer. Ik rol nog een keer naar de rand van het bed, want Erik eigent zich de volledige linkerkant én het midden toe en doe nog een poging tot breinloze slaap. Moeilijk, maar moeilijk kan ook.

Een douche en een fikse wandeling later, staan we een halfuur te vroeg voor de poort van Paul Smith. De meisjes hebben we knock-out achter gelaten. Zij trekken hun plan wel. Ze kennen de buurt. We treffen hun later. Wat een collectie! Ik ben helemaal mee, verdwaald, verzwolgen in het universum van Paul Smith. Papegaaien, ruiten, oranje, paars, groen. Ik zou zo de helft van de rekken voor mezelf bestellen! 😉 We zijn een goed geoliede machine, het tempo ligt hoog. Dit is wat ik onvoorstelbaar graag doe. Mijn job!

De namiddag dwarrelen we. Wat een luxe. Wij moeten niks in Parijs. Wij hebben alleen tijd te spenderen. We ontdekken op onze omzwervingen weer iets kleins, uitzonderlijks : Cité Berryer, vlakbij la Rue Royale. Je zou ze zo voorbij gelopen zijn, ware het niet dat een pracht van paraplu’s ons toeschreeuwt. We hebben gewinkeld voor de meisjes. Ik weet niet of Erik echt van dit onderdeel van de reis genoten heeft. 🙊

Bijna schaamteloos om te zeggen, maar het laatste anderhalf uur zijn we opnieuw geëindigd op ons terras! Ik moest absoluut nog een laatste keer : de tataki van tonijn en een glas wijn. 🐟🍷 Ik kan Parijs niet verlaten zonder. Santé mijn lieve vrienden. Tot snel.

Parijs – deel 1.

Zondag 10 februari. – Vier uur? Vijf uur? Misschien vier en een half heb ik geslapen. In elk geval slaapt Julie nog minder. Ik hoor haar rond 03.00u thuis komen. Mijn wekker staat op 05.20u. De katten vinden het geweldig : een heel huis wakker gedurende een ganse nacht. 🐈 In elk geval frommel ik mezelf en even later een gans huishouden uit bed : we gaan naar Parijs : We laten het huis en de katten achter onder de halfwakker wakende ogen van Dries 🤪 en sporen richting Berchem. De rest van de rit verloopt standaard. Als gewoonlijk slapen we af en aan. Julie’s hoofd lijkt los te komen van haar lichaam en kantelt opzij.

We arriveren, we deponeren bagage en binnen het halfuur zitten we waar onze roots zijn : terras Le Compas. We zitten buiten. Het druppelt. We blijven buiten. Het dr u p t. We genieten. Het giet. Tussen mega en giga buien door – We kopen paraplu’s voor de meisjes. Ik kruip in mijn kap, Erik in zijn muts. – waaien we richting Louvre. Paraplu’s buigen naar alle kanten, bij voorkeur de buitenkant. Erik suggereert Les Galeries Lafayettes. Marie’s haar waait overal. Julie heeft nood aan droogte en warmte (en slaap volgens mij 🙃). We slenteren binnen samen met de rest van driekwart toeristisch Parijs. Wat een koepel, wat een buitengewoon sublieme pracht en praal. We halen het tot de top, waar we opnieuw uit ons vel waaien.

Roze van de warmte verlaten we de high fashion stopping wereld en lopen helemaal verloren op zoek naar een bistro waar we bijna tien jaar geleden een keer geweest zijn. Het was toen goed, nu iets minder. Twaalf kilometer hebben we in onze benen. 18.30u, we pikken bagage op. Vallen enkele seconden helemaal strijk op ons appartement LIVINPARIS alvorens alle restanten bij elkaar te rapen en terug te keren naar waar we vanochtend begonnen zijn : Rue Montorgueil, bistro Le Compas. Meer heeft een dag niet nodig. Vandaag, maandag, werk ik. Op verplaatsing. Ik mag de wereld van Paul Smith betreden. 

De bril.

Woensdag 12 oktober. Ik heb een nieuwe bril, sedert zaterdagavond, drie dagen oud/nieuw. Werkelijk een onwaarschijnlijk mooie. Tenminste, ik vind hem het einde. Jullie vinden hem misschien gewoon groot of bijzonder, dat mag. Ikzelf ben er weg van. Het is een zonnebril omgebouwd tot ‘echte’ bril, dus helemaal uniek en helemaal ‘ik’.

Ik sta heerlijk vroeg op zodat ik alle tijd van de wereld heb om na Julie’s vertrek mijn taken te doen in het lege huis. Erik zit in Egypte, onder water, Marie zit in Wilrijk, op kot, Julie op de trein, naar school en ik dus, in de keuken, aan tafel met mijn koffie en zonder radio, met stilte. Ik hang de was op, maak de afwasmachine leeg, doe de gordijnen open in de living, neem een pilletje voor mijn rug, want er is dinsdag met het oppakken van een lege schoendoos ‘iets ingeschoten’. Wees gerust, het is ondertussen al beter. Ik beweeg reeds minder als een gans of eend of kalkoen – kies maar.

Ik neem mijn tijd en bedenk dat ik nog perfect langs de autokeuring zou kunnen voor de winkel open gaat. Een activiteit die ik steeds uitstel, wegens werkelijk niet leuk en niks voor mij, maar gezien ik quasi altijd met deze auto rijd, voel ik me moreel verplicht deze actie zelf te ondernemen en niet af te schuiven op Erik of mijn vader (deze beide heren staan sowieso reeds vaak ter mijner beschikking). Ik raap mezelf bij elkaar en kleed me aan. Schoenen aan, jas aan, sjaal aan, handtas in de hand, sleutels van de auto gevonden en nu mijn bril nog. Mijn bril… Waar is mijn bril?

Die immens grote, kleurloze, voorzien van een dik montuur, nieuwe bril. Ik zoek op alle standaard plaatsen, alle plaatsen waar ik ooit in mijn leven al een bril gelegd heb, alle niet standaard plaatsen waar ik ooit een bril zou kunnen leggen. Niets, nada, geen bril, geen spikspinternieuwe, reusachtige bril. Nul. Ik laat me niet uit het lood slaan, ik tover mijn ten voordele van het nieuwe exemplaar afgedankte oude montuur weer tevoorschijn en vervolg dapper mijn planning : autokeuring. Geloof me of niet, zelfs in deze heikele tijden houd ik het hoofd koel en beweeg alle hendels en knoppen in de juiste richting wanneer dimlichten en grootlichten gesommeerd worden. – Ik heb ooit op de keuring naar links en vervolgens in alle verwarring naar rechts gepinkt wanneer ik mijn ‘pharen’ op moest zetten. Ik ben een echte vrouw als het erop aankomt. In het dagelijkse leven en het pikdonker zet ik nochtans zonder enige twijfel meteen wel de juiste lichten aan. – Mijn wagen passeert dit labeur zonder enige fout. Ik ben weer goed om te gaan voor het komende jaar, de groene kaart in mijn trotse bezit.

Ik zou nu recht naar de winkel kunnen rijden. Ik heb echter nog tweeënvijftig minuten voor mijn deur open moet. Ik rijd terug naar huis op zoek naar de bril. Ik heb ondertussen, terwijl ik in de file bij de keuring sta, zowel de meisjes als vriendinnen vanop afstand geëngageerd in mijn jacht. Zonder resultaat. Het zal dus op mijn eigen zoektalenten aankomen. Ik begin gewoon weer van nul. Het huis van boven naar onder en van links naar rechts. Om de één of andere onverklaarbare reden voel ik de drang om zelfs te zoeken in ruimtes waarvan ik honderd procent zeker ben niet geweest te zijn. Julie stuurt een bericht ‘In de zetel’. Ik heb deze zetel reeds drie keer bekeken. Zelfs de zetels waar ik niet in gelegen heb, heb ik reeds tweemaal onderzocht. In één van die twee ligt nu de poes, op het deken dat ik gisteren op mijn lichaam heb gehad.

En dan ineens is er een verbinding tussen twee hersencellen die maakt dat je iets doet waar je eerder niet aan gedacht hebt, die maakt dat je het onwaarschijnlijke voor mogelijk neemt : ik til de poes op, ik til het deken op. En daar, tussen de plooien van het deken waar ik gisteren onder gelegen heb en dat ik bij het slapengaan achteloos in de andere zetel gelegd heb en waarop nu de poes zorgeloos, nietsvermoedend ligt te ronken, ligt mijn bril, groot en duidelijk blinkend, zeggend ‘HalloOoOOOo, hier ben ik! Hoe kan je dit NIET zien?!?’.

Ik heb mijn gigantische bril op, bijna altijd nu. Ik zet hem niet meer af. Dankjewel aan iedereen onder jullie die mij ondertussen gezegd heeft, hoe geweldig hij wel niet is. Dat vind ik ook.

Bril Optiek Liesbet Theeuwen – Kleed Dreamcatcher, Bing&Ella

Voor de spiegel.

Confronterend, voor de spiegel bij de kapper. Een jaar of twee geleden heb ik mezelf zo ook al een keer onder de loep genomen. Niet dat ik anders nooit in een spiegel kijk, maar terwijl ik ’s morgens en ’s avonds mijn tanden poets, ruim ik sokken op, leg ik handdoeken weg, steek ik vergeten haarspelden in het juiste bakje, alles wat ik kan doen met één hand terwijl de andere naarstig een draaiende poetsbeweging maakt. Het kijken naar mezelf blijft als dusdanig beperkt tot de luttele seconden tussen alle bedrijven door.

Terwijl zilveren omhulsels elke nakende leeftijd vakkundig pogen te camoufleren en mij er tijterwijl doen uitzien als een blinkende kerstboom, ben ik gedoemd vastgeplant voor de spiegel. Ik mag beginnen met goed nieuws, de grijze haren die ik tijdens mijn vorige onderzoeksessie bespeurde, hebben zich niet vermenigvuldigd. Volgens mijn getalenteerde jonge kapster beschik ik nog steeds over meer bruine dan grijze lokken. Wel wie had dat nu gedacht? Dat is alvast niet slecht om de dag te starten.

Dan laat ze mij aan mijn lot over en begint het echte werk : nek, voorhoofd, bovenlip, ogen. Ik zit naast een raam, boordevol daglicht. Volgens mijn scrutineus oog zijn de rimpels hier en daar collegialer geworden. In een gedegen Belgische overheid zijn we ook met steeds meer en meer ministers, dus daar maak ik me maar geen zorgen over. Het zal zo wel horen te zijn. Wat ik volgens mij echter wel als een stevige nieuwkomer bespeur, zijn twee schone horizontale lijnen in mijn hals en wanneer ik deze dan strek – je merkt het, ik ga grondig te werk – merk ik een een veelvoud aan verticale, minuscule frommeltjes op. Geen echte rimpels, maar precies zoals te warm gestreken zijde.

Op twee jaar tijd is mijn hals dus luxueuzer geworden : van gladde kunststof naar een duur natuurlijk product. Ik beken eerlijk, ik investeer in mijn leven, in het plukken van de dag, in het voluit vullen van elk moment, in het overdrijven zonder schroom. Ik koester mijn lachrimpels en behoud me het voorrecht op zijden luxestructuren in mijn hals. Lieve dames, wij zijn mooi en onbetaalbaar.

Ik moet niet alles weten

Mijn leven is een nieuw tijdperk ingetreden. Marie, mijn jongste meisje, is twee dagen geleden namelijk verkocht. Ondertussen heb ik door dat je als moeder sommige dingen gewoon beter niet weet. Marie zal dit zelf waarschijnlijk ook zo gedacht hebben, want ze had het mij ook niet verteld, terwijl ze anders eigenlijk alles vertelt. Ze zit haar eerste jaar op kot en we bellen veel te veel, over niks, gewoon om twee zinnen te zeggen. Niet alleen met mij, maar ook met Erik. En zo komt het dan, dat Erik op woensdagavond net na het eten, haar gewoon belt, om een babbel te doen en ze niet opneemt. We gaan ervan uit dat ze onder de douche staat.

Een halfuur later neemt ze nog niet op, is ze misschien naar een vriendin. Een uur later onderneemt Erik de voor hem laatste poging. Niets. Moeders zijn doorbijters. Het feit dat wij ’s middags nog twee nutteloze zinnen gewisseld hebben en er helemaal geen sprake geweest is van weggaan, maar eerder van chemie-oefeningen maken en het feit dat haar kot tegen de straatkant en op de begane grond ligt, maakt dat ik hardnekkig en doortastend volhoud. Ik scroll door mijn nummers en stuur een bericht naar Emma, Marie’s vriendin in het centrum van Antwerpen (Marie zit in Wilrijk) en krijg het voor de hand liggende antwoord dat Marie waarschijnlijk naar ‘iets’ van een studentenvereniging is. Natuurlijk.

Ik bedank Emma en zeg sorry voor het storen. Ik stuur een bericht naar Marie met slaap zacht. Ik ben een coole mama, no worries. ’s Nachts om 01.00u wekt een ‘ping’ mij : ‘Sorry mama, ik wilde je helemaal niet ongerust maken maar mijn telefoon stond op maantje. Ik ben thuis. Slaap lekker. We bellen morgen.’ Ze blijkt dus zonder mijn weten verkocht en heeft ajuin moeten eten (iets waarvoor ze volgens zichzelf super allergisch is, lees ‘gewoon niet lust’) en is nu gedurende een maand willekeurige eigendom van haar ‘bezitters’. Morgen na de les moet ze bij haar nieuwe eigenaars haar ‘baby’ ophalen, een baby waarvoor ze een ganse maand moet zorgen, die ze overal mee naartoe moet nemen (nee geen vroedvrouw, dierengeneeskunde). Bijna vijfhonderd jaar na datum is slavenhandel weer in. Binnenkort wordt ze ook nog gedoopt.

Ik denk dat ik er een gewoonte van ga maken haar te laten bellen en niet meer zelf te bellen. Ik moet niet alles weten, misschien zelfs niet achteraf.

Twee mannen.

Mijn ogen tranen, de lachrimpels naast mijn ogen vermenigvuldigen, ik vul mijn glas wijn nog eens bij en acht mezelf dankbaar voor dergelijk onevenaarbare momenten. Hoofdrolspelers van de avond zijn twee mannen, onze mannen, van ieder één – gelukkig niet ieder twee, er zijn grenzen aan een vrouw’s kunnen – één van Liesbet, Fred en één van mij, Erik. Onze mannen kennen elkaar al heel erg lang. Wij kennen elkaar al heel erg lang.

En op een gegeven moment, wanneer je samen al zolang meegaat, begin je door elkaar heen te zien. Je hoort woorden, maar je weet dat deze woorden andere betekenissen hebben. Ik moet jullie inleiden in de avond… De avond begint, vraag me echt niet waarom, met een gesprek over de buxusmot. De mot die half Vlaanderen, en misschien ook Wallonië, maar daar ben ik minder thuis, geteisterd heeft. De avond dwarrelt verder over jeu de boules en wijnterreinen in Frankrijk naar poetsvrouwen en mirakuleuze vuil-verdwijntruken.

Tot na het eten Fred aan Erik vraagt : ‘Erik, hebde gij de buxus al gezien?’ En onwaarschijnlijk, maar waar, in het pikdonker trekken onze mannen, Liesbet’s Fred en mijn Erik erop uit om naar ‘dé buxus’ te gaan kijken. Als voetnoot : onze mannen zijn ruim de veertig gepasseerd, gaan vlot naar de vijftig, zeer vlot zelfs, zijn een paar jaar geleden gestopt met roken en zijn volgens Liesbet en mij een klein jaar geleden stiekem weer begonnen… Goed of niet goed, laten we daar nu geen oordeel over vellen.

Feit is, dat ze dus sinds dat kleine jaar, voor en na onze maaltijden, plotse interesse vertonen in tuinen, in honden uitlaten, in ‘dingen’ vergeten in auto’s, waar Liesje en ik in eerste instantie absoluut geen erg in hadden, maar waarvan we stilaan het vermoeden kregen, dat hun interesse wel eens ergens anders zou kunnen liggen dan bij het ons meegedeelde. Vandaag horen wij dus, na de maaltijd, ineens de vraag ‘Erik, hebde gij de buxus al gezien?’

En ik moet eerlijk zeggen, dat ik hem oorspronkelijk niet eens doorhad. Tot Liesje zei ‘Het is pikdonker, die gaan niet naar de buxus kijken, die gaan een sigaret roken!’ Bijna vijftig zijn ze, onze mannen’ en om tien uur ’s avonds gaan zij samen, in de grootste onschuld, buiten in de tuin, de groene groei van de buxus en de voortplanting van de mot bestuderen. En wij? Wij denken ‘Mannen!’ en lachen tot de tranen over onze wangen rollen.