De bril.

Woensdag 12 oktober. Ik heb een nieuwe bril, sedert zaterdagavond, drie dagen oud/nieuw. Werkelijk een onwaarschijnlijk mooie. Tenminste, ik vind hem het einde. Jullie vinden hem misschien gewoon groot of bijzonder, dat mag. Ikzelf ben er weg van. Het is een zonnebril omgebouwd tot ‘echte’ bril, dus helemaal uniek en helemaal ‘ik’.

Ik sta heerlijk vroeg op zodat ik alle tijd van de wereld heb om na Julie’s vertrek mijn taken te doen in het lege huis. Erik zit in Egypte, onder water, Marie zit in Wilrijk, op kot, Julie op de trein, naar school en ik dus, in de keuken, aan tafel met mijn koffie en zonder radio, met stilte. Ik hang de was op, maak de afwasmachine leeg, doe de gordijnen open in de living, neem een pilletje voor mijn rug, want er is dinsdag met het oppakken van een lege schoendoos ‘iets ingeschoten’. Wees gerust, het is ondertussen al beter. Ik beweeg reeds minder als een gans of eend of kalkoen – kies maar.

Ik neem mijn tijd en bedenk dat ik nog perfect langs de autokeuring zou kunnen voor de winkel open gaat. Een activiteit die ik steeds uitstel, wegens werkelijk niet leuk en niks voor mij, maar gezien ik quasi altijd met deze auto rijd, voel ik me moreel verplicht deze actie zelf te ondernemen en niet af te schuiven op Erik of mijn vader (deze beide heren staan sowieso reeds vaak ter mijner beschikking). Ik raap mezelf bij elkaar en kleed me aan. Schoenen aan, jas aan, sjaal aan, handtas in de hand, sleutels van de auto gevonden en nu mijn bril nog. Mijn bril… Waar is mijn bril?

Die immens grote, kleurloze, voorzien van een dik montuur, nieuwe bril. Ik zoek op alle standaard plaatsen, alle plaatsen waar ik ooit in mijn leven al een bril gelegd heb, alle niet standaard plaatsen waar ik ooit een bril zou kunnen leggen. Niets, nada, geen bril, geen spikspinternieuwe, reusachtige bril. Nul. Ik laat me niet uit het lood slaan, ik tover mijn ten voordele van het nieuwe exemplaar afgedankte oude montuur weer tevoorschijn en vervolg dapper mijn planning : autokeuring. Geloof me of niet, zelfs in deze heikele tijden houd ik het hoofd koel en beweeg alle hendels en knoppen in de juiste richting wanneer dimlichten en grootlichten gesommeerd worden. – Ik heb ooit op de keuring naar links en vervolgens in alle verwarring naar rechts gepinkt wanneer ik mijn ‘pharen’ op moest zetten. Ik ben een echte vrouw als het erop aankomt. In het dagelijkse leven en het pikdonker zet ik nochtans zonder enige twijfel meteen wel de juiste lichten aan. – Mijn wagen passeert dit labeur zonder enige fout. Ik ben weer goed om te gaan voor het komende jaar, de groene kaart in mijn trotse bezit.

Ik zou nu recht naar de winkel kunnen rijden. Ik heb echter nog tweeënvijftig minuten voor mijn deur open moet. Ik rijd terug naar huis op zoek naar de bril. Ik heb ondertussen, terwijl ik in de file bij de keuring sta, zowel de meisjes als vriendinnen vanop afstand geëngageerd in mijn jacht. Zonder resultaat. Het zal dus op mijn eigen zoektalenten aankomen. Ik begin gewoon weer van nul. Het huis van boven naar onder en van links naar rechts. Om de één of andere onverklaarbare reden voel ik de drang om zelfs te zoeken in ruimtes waarvan ik honderd procent zeker ben niet geweest te zijn. Julie stuurt een bericht ‘In de zetel’. Ik heb deze zetel reeds drie keer bekeken. Zelfs de zetels waar ik niet in gelegen heb, heb ik reeds tweemaal onderzocht. In één van die twee ligt nu de poes, op het deken dat ik gisteren op mijn lichaam heb gehad.

En dan ineens is er een verbinding tussen twee hersencellen die maakt dat je iets doet waar je eerder niet aan gedacht hebt, die maakt dat je het onwaarschijnlijke voor mogelijk neemt : ik til de poes op, ik til het deken op. En daar, tussen de plooien van het deken waar ik gisteren onder gelegen heb en dat ik bij het slapengaan achteloos in de andere zetel gelegd heb en waarop nu de poes zorgeloos, nietsvermoedend ligt te ronken, ligt mijn bril, groot en duidelijk blinkend, zeggend ‘HalloOoOOOo, hier ben ik! Hoe kan je dit NIET zien?!?’.

Ik heb mijn gigantische bril op, bijna altijd nu. Ik zet hem niet meer af. Dankjewel aan iedereen onder jullie die mij ondertussen gezegd heeft, hoe geweldig hij wel niet is. Dat vind ik ook.

Bril Optiek Liesbet Theeuwen – Kleed Dreamcatcher, Bing&Ella

Voor de spiegel.

Confronterend, voor de spiegel bij de kapper. Een jaar of twee geleden heb ik mezelf zo ook al een keer onder de loep genomen. Niet dat ik anders nooit in een spiegel kijk, maar terwijl ik ’s morgens en ’s avonds mijn tanden poets, ruim ik sokken op, leg ik handdoeken weg, steek ik vergeten haarspelden in het juiste bakje, alles wat ik kan doen met één hand terwijl de andere naarstig een draaiende poetsbeweging maakt. Het kijken naar mezelf blijft als dusdanig beperkt tot de luttele seconden tussen alle bedrijven door.

Terwijl zilveren omhulsels elke nakende leeftijd vakkundig pogen te camoufleren en mij er tijterwijl doen uitzien als een blinkende kerstboom, ben ik gedoemd vastgeplant voor de spiegel. Ik mag beginnen met goed nieuws, de grijze haren die ik tijdens mijn vorige onderzoeksessie bespeurde, hebben zich niet vermenigvuldigd. Volgens mijn getalenteerde jonge kapster beschik ik nog steeds over meer bruine dan grijze lokken. Wel wie had dat nu gedacht? Dat is alvast niet slecht om de dag te starten.

Dan laat ze mij aan mijn lot over en begint het echte werk : nek, voorhoofd, bovenlip, ogen. Ik zit naast een raam, boordevol daglicht. Volgens mijn scrutineus oog zijn de rimpels hier en daar collegialer geworden. In een gedegen Belgische overheid zijn we ook met steeds meer en meer ministers, dus daar maak ik me maar geen zorgen over. Het zal zo wel horen te zijn. Wat ik volgens mij echter wel als een stevige nieuwkomer bespeur, zijn twee schone horizontale lijnen in mijn hals en wanneer ik deze dan strek – je merkt het, ik ga grondig te werk – merk ik een een veelvoud aan verticale, minuscule frommeltjes op. Geen echte rimpels, maar precies zoals te warm gestreken zijde.

Op twee jaar tijd is mijn hals dus luxueuzer geworden : van gladde kunststof naar een duur natuurlijk product. Ik beken eerlijk, ik investeer in mijn leven, in het plukken van de dag, in het voluit vullen van elk moment, in het overdrijven zonder schroom. Ik koester mijn lachrimpels en behoud me het voorrecht op zijden luxestructuren in mijn hals. Lieve dames, wij zijn mooi en onbetaalbaar.

Ik moet niet alles weten

Mijn leven is een nieuw tijdperk ingetreden. Marie, mijn jongste meisje, is twee dagen geleden namelijk verkocht. Ondertussen heb ik door dat je als moeder sommige dingen gewoon beter niet weet. Marie zal dit zelf waarschijnlijk ook zo gedacht hebben, want ze had het mij ook niet verteld, terwijl ze anders eigenlijk alles vertelt. Ze zit haar eerste jaar op kot en we bellen veel te veel, over niks, gewoon om twee zinnen te zeggen. Niet alleen met mij, maar ook met Erik. En zo komt het dan, dat Erik op woensdagavond net na het eten, haar gewoon belt, om een babbel te doen en ze niet opneemt. We gaan ervan uit dat ze onder de douche staat.

Een halfuur later neemt ze nog niet op, is ze misschien naar een vriendin. Een uur later onderneemt Erik de voor hem laatste poging. Niets. Moeders zijn doorbijters. Het feit dat wij ’s middags nog twee nutteloze zinnen gewisseld hebben en er helemaal geen sprake geweest is van weggaan, maar eerder van chemie-oefeningen maken en het feit dat haar kot tegen de straatkant en op de begane grond ligt, maakt dat ik hardnekkig en doortastend volhoud. Ik scroll door mijn nummers en stuur een bericht naar Emma, Marie’s vriendin in het centrum van Antwerpen (Marie zit in Wilrijk) en krijg het voor de hand liggende antwoord dat Marie waarschijnlijk naar ‘iets’ van een studentenvereniging is. Natuurlijk.

Ik bedank Emma en zeg sorry voor het storen. Ik stuur een bericht naar Marie met slaap zacht. Ik ben een coole mama, no worries. ’s Nachts om 01.00u wekt een ‘ping’ mij : ‘Sorry mama, ik wilde je helemaal niet ongerust maken maar mijn telefoon stond op maantje. Ik ben thuis. Slaap lekker. We bellen morgen.’ Ze blijkt dus zonder mijn weten verkocht en heeft ajuin moeten eten (iets waarvoor ze volgens zichzelf super allergisch is, lees ‘gewoon niet lust’) en is nu gedurende een maand willekeurige eigendom van haar ‘bezitters’. Morgen na de les moet ze bij haar nieuwe eigenaars haar ‘baby’ ophalen, een baby waarvoor ze een ganse maand moet zorgen, die ze overal mee naartoe moet nemen (nee geen vroedvrouw, dierengeneeskunde). Bijna vijfhonderd jaar na datum is slavenhandel weer in. Binnenkort wordt ze ook nog gedoopt.

Ik denk dat ik er een gewoonte van ga maken haar te laten bellen en niet meer zelf te bellen. Ik moet niet alles weten, misschien zelfs niet achteraf.

Twee mannen.

Mijn ogen tranen, de lachrimpels naast mijn ogen vermenigvuldigen, ik vul mijn glas wijn nog eens bij en acht mezelf dankbaar voor dergelijk onevenaarbare momenten. Hoofdrolspelers van de avond zijn twee mannen, onze mannen, van ieder één – gelukkig niet ieder twee, er zijn grenzen aan een vrouw’s kunnen – één van Liesbet, Fred en één van mij, Erik. Onze mannen kennen elkaar al heel erg lang. Wij kennen elkaar al heel erg lang.

En op een gegeven moment, wanneer je samen al zolang meegaat, begin je door elkaar heen te zien. Je hoort woorden, maar je weet dat deze woorden andere betekenissen hebben. Ik moet jullie inleiden in de avond… De avond begint, vraag me echt niet waarom, met een gesprek over de buxusmot. De mot die half Vlaanderen, en misschien ook Wallonië, maar daar ben ik minder thuis, geteisterd heeft. De avond dwarrelt verder over jeu de boules en wijnterreinen in Frankrijk naar poetsvrouwen en mirakuleuze vuil-verdwijntruken.

Tot na het eten Fred aan Erik vraagt : ‘Erik, hebde gij de buxus al gezien?’ En onwaarschijnlijk, maar waar, in het pikdonker trekken onze mannen, Liesbet’s Fred en mijn Erik erop uit om naar ‘dé buxus’ te gaan kijken. Als voetnoot : onze mannen zijn ruim de veertig gepasseerd, gaan vlot naar de vijftig, zeer vlot zelfs, zijn een paar jaar geleden gestopt met roken en zijn volgens Liesbet en mij een klein jaar geleden stiekem weer begonnen… Goed of niet goed, laten we daar nu geen oordeel over vellen.

Feit is, dat ze dus sinds dat kleine jaar, voor en na onze maaltijden, plotse interesse vertonen in tuinen, in honden uitlaten, in ‘dingen’ vergeten in auto’s, waar Liesje en ik in eerste instantie absoluut geen erg in hadden, maar waarvan we stilaan het vermoeden kregen, dat hun interesse wel eens ergens anders zou kunnen liggen dan bij het ons meegedeelde. Vandaag horen wij dus, na de maaltijd, ineens de vraag ‘Erik, hebde gij de buxus al gezien?’

En ik moet eerlijk zeggen, dat ik hem oorspronkelijk niet eens doorhad. Tot Liesje zei ‘Het is pikdonker, die gaan niet naar de buxus kijken, die gaan een sigaret roken!’ Bijna vijftig zijn ze, onze mannen’ en om tien uur ’s avonds gaan zij samen, in de grootste onschuld, buiten in de tuin, de groene groei van de buxus en de voortplanting van de mot bestuderen. En wij? Wij denken ‘Mannen!’ en lachen tot de tranen over onze wangen rollen.

Op kot.

Ik begin hier te schrijven, onder al deze foto’s, onder beelden die meer zeggen dan woorden, dan ik ooit in lettermateriaal kan uitdrukken. Ik denk dat ik teveel kloek ben, teveel nestexpert.

Ik ben niet bezorgd of klassiek of belerend – denk ik toch niet – of inkrimpend, maar ik ben gewoon wel een vat vol LIEFDE, eindeloos, grenzeloos, bodemloos. Jullie snappen wat ik bedoel.

En als ik er dan één moet achterlaten, lijkt het wel of de kurk op de fles ontbreekt. Ik zou ook kunnen zeggen de slagroom op de taart, maar de kurk op de fles is gewoon veel meer ik.

We doen een tweede tour langs IKEA. We zijn ondertussen in het trotse bezit van een Family Card. De eigenares van Marie’s kot heeft ons verteld dat je met deze kaart recht hebt op gratis water en koffie! Wat we gezien de zon en de blauwe lucht vandaag dapper overslaan. Des te sneller buiten, des te beter.

We zijn alweer wat techniciteiten vergeten thuis waardoor we voor de finale afwerking nog een keer op een zondag zullen moeten terugkomen, maar haar kot begint op een ‘thuis’ te lijken.

Erik tracteert ons, aan het water, zicht op containers, op een stille haven, op de meest fantastische schapenwolken reflecterend in een oud en nieuw havenhuis.

We brengen er uren door. Als een afscheid, maar geen vaarwel, een tot ziens en ik wens je het allerbeste, een unieke tijd, een onvergetelijke tijd. En zo breien we verhalen bij een ondergaande zon en een begin van een wereld, voor jou. Ik hou van je, meisje. Maak jou leven.

The day after.

The day after. Verfrommeld, een beetje stinkend, doodmoe, zwartomwald, maar helemaal voldaan, elke vezel van je lichaam beroerd, gevuld met emoties en impressies, een weerklinkende, rommelende bas in ons binnenste, een zacht sluimerende kater. Adjectieven gedeeld door en verspreid over ons vieren. Elk van ons neemt er wel een paar voor zijn/haar rekening. De campinggangers de meest welriekende en vermoeide. Erik en ik de meest wellevende en bourgondische.

Wij hebben onze jaarlijkse traditie weer met veel genot volbracht. Onze stoelen stonden gereserveerd, op het beste terras van Pukkelpop, bij Marleen en Harry, overgoten met passerende vrienden, familie en buren, met rosé en tapenades rechtstreeks uit de zoete Provence. Marie waait af en toe van het festivalterrein binnen, haar hoofd, rood verbrand, valt spontaan op mijn schouder. Ik streel over haar haren, de vermoeidheid weg. Julie moet uiteindelijk een avond niet werken en verschijnt nog om 21.30u aan de poorten van ons terras. Het gezelschap wordt schoner en swingender naarmate de avond donkerder wordt.

Kris, Liesje’s broer complimenteert mij uitermate vrolijk en oprecht én herhaaldelijk, als om zeker te zijn dat ik de boodschap goed begrepen heb, met mijn schrijfstijl. Zijn dorstige verblijf in de Beer Shack zal wel bijdragen tot zijn heerlijk overtuigde welbespraaktheid. Hij is zo lief. Ann, een klantje komt zwaaien aan ons hek. Iedereen vindt ons. Zelfs een verdwaalde reiziger die door de open poort naar binnen glipt en richting keuken verdwijnt, nog voor Liesje kan zeggen ‘Wie is dat?!?’. Ik dacht dat het een routiné was. Erik begeleidt de overmoedige jongeman kordaat naar buiten, aan de andere kant van onze tralies. Toegegeven, wij lijken een beetje op bavianen in een kooi. Hij wilde misschien alleen maar een glimp achter de schermen van de zoo.

Wij nemen met knuffels en zoenen vol liefde afscheid van kinderen, van Marleen en Harry, van Liesje en Fred. Wel, van deze twee laatsten slechts kortstondig, want binnen een paar uur hebben we alweer afgesproken, op een ander terras. En ware het niet dat Waze, onze gps van dienst, die het nochtans meestal zeer goed met ons meent, maar nu waarschijnlijk door de bas van Mainstage en Marquee uit zijn lood geslagen is, ons op een fieldtrip door de ingewanden van Kiewit, Kuringen, Zonhoven en Hasselt Kanaalkom stuurde, dan zouden we zelfs nog op een betamelijk uur in ons bed gelegen hebben. Nu niet.

Ik stap/val in bed en zet mijn wekker vier uur later. De Delhaize en boodschappen roepen. Gezien de te verwachten uitgetelde toestand van onze pukkelende jeugd hebben we beslist om ons  hernieuwde samenzijn in de eigen tuin te laten doorgaan en niet op een uithuizig terras. Kwestie van slaaplocaties in de buurt te hebben. Ik hak en snijd, terwijl Erik nog snel wat welriekend onkruid tussen de niet meer aanwezige grassprieten uittrekt – de tuin is vier weken in een verbrande zomerslaap geweest, behalve onkruid dat om de één of andere reden alle hittegolven overleeft.

Vijf voor 13u. Marie ligt nog in bed. Julie is gaan joggen!?!?!??? Erik en ik zitten in de veranda. De voorbereidingen zijn klaar. Vijf na 13u. Er gaat geen bel. Zij zijn hier thuis. Gisteren vierden we PKP. Vandaag vieren we Erik’s verjaardag. BBQ, rosé en eeuwige vrienden. De meisjes vallen in slaap en uit slaap. Liesje en Fred, Erik en ik zijn die-hards, wij vieren continu feest. Santé op het leven.

New York – Miami 9 – Het einde.

Dag twee en verder, survival in Miami. Is het het contrast met The Keys dat Miami zo anders maakt? Het feit dat we terug in een stad zitten, na van het Caribische laid back leven te hebben mogen proeven? Men zegt ‘Een olifant in een porseleinkast.’ Wij voelen ons porselein temidden van een kudde olifanten.

We doen iets wat we nog nooit gedaan hebben – wij zijn Lonely travelers in se. We schrijven ons in voor een echte toeristische boottocht, Miami Skyline and Millionaire’s Row. Ik heb adem nodig, ik krijg geen zicht op Miami. Ik vind geen draai, geen zuurstof. Het is drukkend, plakkerig, heet, als een vochtige, warme dweil om je lijf. Gedurende anderhalf uur vergapen we ons aan leegstaande mastodonten, in allerhande geïmporteerde stijlen, Toscaans, Romeins, burlesk, grotesk. Hun tuinen, zwembad en inkijk richting water, richting ons, gapende sardienen in een boot.

Elkeen zonder een levende ziel, eigendom van bovenaardse supersterren als Beckham, Shakira, Al Pacino, de nieuwe vriend én de ex-vriend/man van J Lo. Deze twee laatsten hebben een optrekje naast elkaar, buren dus, handig voor het verhuizen van haar koffers, zou ze zich bedenken. Talrijke andere groten der aarde passeren de revue. Dokter Viagra het statigst van al, zijn dertig uit Afrika geïmporteerde palmbomen trots erect. Zijn patrimonium overtroeft de rest, zoals zijn product hoort te doen. Kleine pilletjes maken grote wonderen. Miami’s skyline passeert hoog, blinkend in de zon, reflecterend in het water, luchtig, opener dan New York, witter, meer zuiders. De boottocht doet ons goed, simpel, het hoofd leeg. We laten Miami over ons heen golven.

We dobberen opnieuw, uren aan een stuk, in het blauwe water van ons zwembad, omringd door families met kleine en grote kinderen, door koppels vrienden, rustig feestend met hun blauwe (voor de meeste meisjes) en rode (voor de meeste jongens) flesje Bud in de hand, en door de in ons hotel weinig talrijk doch prominent aanwezige partygangers met hun eeuwige shot tequila of ander geestverruimend alcohol, met hun exuberante gestes en dito parlée ‘Yo bitches’. Wij integreren, alles went. We trekken baantjes bij het ochtendgloren of bij het vallen van de avond, wanneer de bar nog niet open of reeds gesloten is. Alle tijd ertussen in, hangen we in troep in het zwembad, we maken deel uit van het door het water rimpelende geheel.

We vinden het Miami Design District, een verzameling van mode, kunst, architectuur, interieur en gastronomie. Wijken die ik haast kapot fotografeer. Ik zet de meisjes op honderd locaties, zij worden gek van mij. We vinden het meest heerlijke restaurant, net om de hoek, The Local House. We voelen ons in de Caraïben. Om het circus niet af te leren, ‘dineren’ we in Big Pink, een volwaardig Amerikaans bastion : binnen, een groot vierkant gevuld met al even vierkante tafels, massa’s volk en veel lawaai. Iedereen aan de slag met hamburgers (lekkere!), pizza (lekkere!) en honderd mogelijke combinaties van beiden al dan niet vergezeld van pannenkoeken, waffles, eieren of frieten on the side én de meest fantastisch lekkere huisgemaakte guacamole. Wij eten buiten. We eten een avond pizza, uit dozen, bij zonsondergang op het strand. Marie ziet een dolfijn en nog één. Ze zwemmen op twintig meter voorbij haar. Haar gezicht is één en al zon. We geven onze tweede pizza – We hebben een volledige over. Amerikaanse maatstaven zijn net iets groter dan de onze. – aan de jongens en meisjes naast ons. Ow, thank you so much!

We hebben het privilege getuige te mogen zijn van onvergetelijke taferelen. Vriendinnen rollen de bruid in spe tot aan het water. Ze kan niet meer rechtstaan, combinatie van een behoorlijk overgewicht en net dat laatste shot teveel. Haar best maids zitten plichtsgetrouw uren naast haar, haar af en toe weer recht tillend uit het water wanneer ze scheef zakt, tot ze zelf weer het ene wankelende been voor het andere zet. Stukken van het strand vertonen een sleepspoor, wanneer haar gewicht haar te machtig wordt en haar vriendinnen haar een stuk vooruit trekken, armen onder oksels, haar voeten krachteloos in het zand. Zij vertrekken ruim een uur voor ons. Wij komen ze nog tegen, wanneer we het strand verlaten. Veel succes meisjes.

Vergis je niet, je kan Miami ook anders beleven. Het midden en noorden van Miami Beach is één lange strook oogverblindend wit zand, het meest lichtblauwe zeewater ooit, pure rust en eenzaamheid. Luxe enclaves, familie- en boutiqueresorts en de prachtigste appartementsgebouwen wisselen elkaar af. Geen olifanten hier. Migranten geven Miami haar Zuid-Amerikaanse karakter, haar latino joie de vivre, haar Spaanse roots. Met geld zwaaiende en met goud en Gucci behangen partygangers uit het noorden maken er een met decadente luxe overgoten kermis van.

Betreed je hun contreien, doe het vooral met humor. Lach, want die hebben ze allemaal bij, en een onvoorstelbaar goed humeur, uitgeschreeuwd en tentoongesteld voor Jan en alleman, zonder enige schroom. Wij houden onze laatste dagen vakantie in Miami, een standaard Vlaams gezin in een op hol geslagen kippenhok, we veroveren onze stok.

Every different nation, Spanish, Hatian, Indian, Jamaican, Black, White, Cuban, and Asian. I only came for two days of playing. But every time I come I always wind up stayin’. This the type of town I could spend a few days in. Miami the city that keeps the roof blazin’. Party in the city where the heat is on. All night, on the beach till the break of dawn. “Welcome to Miami”. “Bienvenidos a Miami”.

ps Ik ben weer thuis en vanaf vandaag op mijn vertrouwde stek! Welcome to Bing&Ella.